Home > Actueel > Nieuwsberichten > Barendrecht integreert ZAT basisonderwijs en CJG

Barendrecht integreert ZAT basisonderwijs en CJG

30 juni 2010

Bianca Tamerus, CJG-coördinator, en Wim Kostense, projectleider passend onderwijs, staan voor het CJG in Barendrecht.

Vorig jaar heeft de gemeente Barendrecht voor het eerst een proef gedraaid met een bovenschools Zorg- en Adviesteam (ZAT) voor ongeveer 20 basisscholen. De bevindingen waren positief en het afgelopen half jaar is het ZAT voortgezet. Na de zomer neemt Barendrecht een volgende stap. Dan wordt het ZAT-overleg geïntegreerd met het casuïstiekoverleg van het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). CJG-coördinator Bianca Tamerus en Wim Kostense, projectleider Passend Onderwijs van de Vereniging Protestants Christelijk Primair Onderwijs in Barendrecht, leggen uit waarom.

U bent CJG-coördinator. Sinds wanneer is er een CJG in Barendrecht?

Tamerus: “De ontwikkelingen gaan snel. Ons CJG is operationeel sinds 27 januari van dit jaar. Dat wil niet zeggen dat wij klaar zijn. In de huidige huisvesting is het bijvoorbeeld nog niet mogelijk om de zorg voor 0 tot 4-jarigen onder te brengen. Daarvoor moeten we wachten op onze nieuwbouw. Wel werken het algemeen maatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg 4 – 19 jaar, Bureau Jeugdzorg, MEE, een opvoedkundige en gezinscoaches van FlexusJeugdplein al samen vanuit dit centrum. Hiermee hebben we al een behoorlijke clustering van onze zorg gerealiseerd.”

En u bent projectleider Passend Onderwijs? Wat is uw link met het CJG?

Kostense: “De ontwikkelingen rond het CJG liepen parallel aan de voorbereidingen binnen het kader van de Wet Passend Onderwijs. Vanuit die wet is er een verplichting voor scholen om hun interne zorgstructuur te verbeteren. Daarbij moet je denken aan het werk van een schoolmaatschappelijk werker, een jeugdverpleegkundige, een orthopedagoog en dergelijke. De ontwikkeling van ZAT’s en de relatie tussen ZAT en CJG staan ook in verband met die zorgstructuur. Daarmee is het voor ons een gezamenlijk traject.”

Sinds vorig jaar hebben jullie een bovenschools ZAT voor de basisscholen in Barendrecht. Hoe gaat dat?

Tamerus: “Vorig jaar zijn wij in samenwerking met de GGD in Rotterdam een proef gestart voor een bovenschools ZAT. De basisscholen in Barendrecht hadden hun zorg allemaal op hun eigen manier ingevuld. De kwaliteit hing erg af van de deskundigheid van de interne begeleider en het belang dat de school aan interne zorg hechtte. Met de komst van het bovenschools ZAT is er meer structuur gekomen.”

Kostense: “Het bovenschoolse ZAT is inderdaad door de scholen positief ervaren omdat ze nu naar één centrale plaats kunnen, waar alle hulpverleners en ketenpartners aanwezig zijn. De scholen en de interne begeleiders worden goed geadviseerd. Overigens zou het jammer zijn als vervolgens de wachtlijsten blijven bestaan voor verdere hulpverlening, zoals jeugdzorg of de zogenaamde cluster 4-voorzieningen.”

Hoe zijn het ZAT en het CJG met elkaar gelinkt?

Tamerus: “In Barendrecht is de CJG-coöordinator ook voorzitter van het bovenschoolse ZAT. Dat biedt het voordeel dat je alle informatie rond een kind of gezin kan bundelen. Als je in het ZAT een schoolgaand kind bespreekt, en de broer of zus van dat kind is gelijktijdig in behandeling via een ander traject, dan kun je de zorg op elkaar afstemmen. Als het ZAT beperkt blijft tot de school zelf, dan richt je je dus op de specifieke problematiek van dat kind, terwijl het grotere geheel niet wordt meegenomen. Prima dat je als school apart met een leerling aan de slag gaat. Maar zorg er dan wel voor dat het past binnen het grotere geheel waaraan we vanuit het CJG of vanuit de ZAT voortgezet onderwijs mee bezig zijn. Niet dat de ene partij linksaf gaat en de andere partij rechtsaf, en het effect nul is.”

Zijn de ZAT’s voor het voortgezet onderwijs ook bovenschools geregeld?

Kostense: “Nee. In Barendrecht zijn er vier scholen voor voortgezet onderwijs. Die hebben elk een eigen ZAT en dat draait goed. Dat geldt eigenlijk ook voor de enige MBO-opleiding die wij hebben. Het is meer het basisonderwijs waar de ontwikkeling een beetje was achtergebleven.”

Maar staat een CJG-coördinator niet te ver af van het onderwijs om voorzitter van een ZAT te zijn?

Tamerus: “Met het bovenschools ZAT wil je onderwijs en zorg bij elkaar brengen. Je kunt ervoor kiezen bijvoorbeeld de directeur van een basisschool voorzitter te maken van het ZAT. Maar die heeft misschien minder kijk op wat er nog meer in een gezin speelt en welke zorgmogelijkheden allemaal voor handen zijn. Omdat in principe alle informatie rond een kind bij het CJG bekend moet zijn, hebben wij besloten de CJG-coördinator de voorzitter te laten zijn van het ZAT.”

En hoe kijken jullie daar vanuit de onderwijskant tegenaan?

Kostense: “De CJG-coördinator als voorzitter van het ZAT heeft een zekere afstand tot de scholen, maar staat op dezelfde afstand tot de zorginstellingen. Het is een objectieve positie, niet gelinkt aan welke school of zorginstelling dan ook. Zo iemand kan bijvoorbeeld ook een school aanspreken als de kwaliteit van de interne zorg op die school onvoldoende is geregeld.”

Na de zomer gaan jullie nog een stap verder. Jullie willen het ZAT integreren met het CJG?

Tamerus: “Dat klopt. Het bovenschools ZAT wordt onderdeel van het zogenaamde
CJG-casuïstiekoverleg. Met een klein team hebben wij elke 2 weken overleg. Met het grote team is dat iedere 6 weken. Bij het grote team moet je denken aan deelnemers van bureau Halt, jeugdzorg, wijkagenten, leerplichtambtenaar, medewerkers van MEE en dergelijke partners. Dat betekent dat we dus heel breed naar gezinnen kijken, en ook de nodige zorg kunnen organiseren. Zodra een casus schooloverstijgend is of als er bijvoorbeeld een link is met een zorgtraject vanuit het CJG, dan kan een school een casus inbrengen in het casuïstiekoverleg.”

De bevindingen met het bovenschoolse ZAT waren positief. Waarom dan deze stap?

Tamerus: “Eén van de opdrachten bij CJG-vorming is ook: ‘kijk naar de bestaande zorgstructuren en onderzoek hoe efficiënt en effectief ze zijn’. Onze conclusie was dat het onnodig is het bovenschoolse ZAT afzonderlijk te continueren als je beschikt over een overleg casuïstiek zoals wij dat hebben. Een overleg waarin sowieso voor het grootste deel dezelfde mensen zitten. Die overleggen schuiven we in elkaar. Daarnaast denken we door de versterking van de interne zorg op scholen zelf, problemen eerder te zien aankomen en preventiever te kunnen werken. Het aantal casussen dat in ZAT- of CJG-verband besproken moet worden, zal hierdoor eerder af- dan toenemen.”

Kostense: “Dat is in ieder geval wat wij verwachten. De praktijk zal uitwijzen of het een goede beslissing is. We blijven evaluatiemomenten inbouwen. Iedere gemeente moet op basis van de lokale situatie en netwerkpartners beslissen hoe zij de link tussen CJG en ZAT aanbrengen. In Barendrecht hebben wij momenteel 4 tot 5 casussen in ons ZAT per maand. Dat zijn aantallen die je makkelijk kunt integreren in het CJG-overleg, en daarmee is het ook een werkbare oplossing in onze gemeente.”

  • RSS
  • Twitter
  • Tekstgrootte 
  • -
  • +
Begrippen Sitemap