Home > Actueel > Nieuwsberichten > Onderzoek Regioplan
Onderzoek Regioplan: De CJG-vorming begin 2010. Een doorkijk bij tien gemeenten
31 mei 2010
Tien gemeenten die al meerdere jaren actief zijn met een Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG). Wat hebben ze bereikt? En wat moet er nog gebeuren? In opdracht van het ministerie voor Jeugd en Gezin heeft onderzoeksbureau Regioplan onderzoek gedaan naar de ontwikkelingen bij deze gemeenten. Frank Kriek leidde het onderzoek en vertelt meer over de resultaten, die op 19 mei jl. openbaar werden gemaakt.
Hoe zou u in het kort dit onderzoek omschrijven?
“Het onderzoek is een momentopname met een terugblik naar het verleden en een vooruitblik naar de toekomst. Wij hebben gesproken met ambtenaren, directeuren, managers en uitvoerende professionals. Het gaat over tien CJG’s die tamelijk willekeurig zijn geselecteerd, maar die wel met elkaar gemeen hebben dat ze al meerdere jaren bezig zijn. We hebben alle regio’s erbij betrokken. Er zitten kleine gemeenten bij, maar ook grote. Het resultaat is een goed generiek beeld van de stand van zaken rond de CJG-vorming in Nederland.”
Was er een leidende vraag waarmee u dit onderzoek bent ingegaan?
“Met ons onderzoek maken wij inzichtelijk wat de gemeenten doen, wat er nog moet gebeuren, en welke knelpunten ze hebben ondervonden. Als je één leidende vraag uit zou moeten kiezen dan is het wel ‘wat hebben de CJG’s tot nu toe bereikt?’”
Is dat de ‘effectiviteit’ die zo veel besproken wordt?
“Effectiviteit is daar een belangrijk onderdeel van. Dit onderzoek maakt echter ook duidelijk dat je effectiviteit op meerdere manieren kunt benoemen.”
Kunt u dat toelichten?
“Wat je in het onderzoek ziet is dat de onderzochte gemeenten naast het algemene doel, waaronder de realisatie van de vijf basistaken uit de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO), soms verschillende doelen nastreven met hun CJG. Sommige gemeenten leggen de nadruk op het CJG als netwerkorganisatie. Andere gemeenten zien het CJG vooral als een herkenbaar en laagdrempelig inlooppunt. Afhankelijk van die doelstellingen is de effectiviteit anders uit te drukken. Toch wil je effectiviteit meten op een wijze die vergelijkbaar is. ”
Er is momenteel een tweede onderzoek gaande in opdracht van Jeugd en Gezin om indicatoren vast te stellen voor het meten van effectiviteit van CJG’s. Herkent u de behoefte aan dergelijke indicatoren?
“Er is zeker behoefte aan een basisset van indicatoren. Dat hebben wij gemerkt bij zowel de gemeenten als de uitvoerende instanties met wie wij gesproken hebben. Er is behoefte aan centrale richtlijnen, maar tegelijkertijd is er behoefte aan lokaal maatwerk. Er moet vrijheid zijn om als gemeente eigen accenten te leggen en de effectiviteit aan de eigen doelen af te meten. Alleen dan kun je als gemeente een CJG oprichten dat ook daadwerkelijk past bij de lokale situatie.”
Waarom zijn de gemeenten anoniem gebleven in dit onderzoek?
“Omdat het de vrijheid van spreken heeft bevorderd, hetgeen de diepgang van het onderzoek weer ten goede is gekomen. We hebben nu heel open en eerlijk met alle partijen kunnen praten. En we hebben er ook heel vrij over kunnen rapporteren.”
Welk voordeel kunnen andere gemeenten uit dit onderzoek halen?
“Het verslag bestaat uit twee delen. Het eerste deel is de beschrijving van de verschillende manieren waarop gemeenten de basisfuncties van het CJG hebben vormgegeven en de verschillende strategieën die ze gehanteerd hebben. In dit deel is te lezen welke accenten zij hebben aangebracht en tegen welke knelpunten ze zijn aangelopen. Dat levert inspiratie en herkenning op. Het tweede deel is een beschrijving van een aantal concrete praktijken die we hebben aangetroffen en die wij als good practices hebben benoemd. Ook dit zijn voorbeelden die volgens mij inspiratie en herkenning kunnen opleveren.”
Wat heeft u het meest verrast in dit onderzoek?
“In aangename zin was ik zeer verrast dat wij bij álle gemeenten, zonder uitzondering, en bij alle partijen die we gesproken hebben, veel enthousiasme hebben bespeurd om met het CJG aan de slag te zijn. Ik had veel meer ‘mitsen en maren’ verwacht. Die waren er wel, maar steeds vanuit een heel erg positieve grondhouding. Er is een gedeeld gevoel dat het CJG-dossier de gelegenheid biedt het lokale speelveld van jeugdvoorzieningen vorm te geven. De knelpunten die al jaren worden geconstateerd, kunnen nu worden aangepakt. Datgene wat onder andere vanuit de WMO en de Wet op de jeugdzorg moet gebeuren, kan nu ook daadwerkelijk vorm krijgen. Wat je ziet is dat oude dossiers in het CJG terugkeren en nu aangepakt worden. Met andere woorden, het CJG wordt door alle gemeenten en ketenpartners aangegrepen als een kans om het veld te structureren en effectiever te organiseren.”
Heeft het de samenwerking al verbeterd?
“Dat denk ik zeker. Sommige gesprekspartners vertelden ons dat ze altijd dachten dat ze goed samenwerkten. Totdat ze bij elkaar zaten en vanuit één gebouw gingen werken. Toen bleek dat het helemaal nog niet zo goed was. Maar het was wel de impuls om de samenwerking echt te verbeteren.”
Was er in problematische zin ook iets wat voor u eruit sprong?
“De keerzijde van het enthousiasme om de samenwerking echt van de grond te krijgen, is dat je weer merkt dat de verschillende partijen van verschillende financieringsstromen afhankelijk zijn en andere verantwoordingsmomenten kennen. Op dat soort momenten komen ook weer de institutionele belangen om de hoek kijken. Heel eenvoudig geschetst: 3 partijen bieden opvoedondersteuning aan en zitten bij elkaar bij de gemeente om het aanbod onder één noemer aan te gaan bieden. Wat doe je dan? Onder welke noemer ga je de ondersteuning aanbieden? Wie gaat dat aanbod dan verzorgen? Als je de samenwerking fundamenteel wilt regelen en verbeteren dan kan het consequenties hebben voor de partijen zelf, en dat kan diepgaande discussies opleveren.”
Het tweede deel van het onderzoek beschrijft een aantal best practices. Is er een die u ter illustratie eruit zou kunnen lichten?
“Wat ik zelf heel interessant vond - en dat zijn we bij 3 of 4 gemeenten tegengekomen - is het uitgangspunt om bij gezinnen met meervoudige problemen alleen nog maar hulpplannen te maken in aanwezigheid van dat gezin. Voorheen gebeurde het nog wel eens dat hulpverleners over een gezin heen allerlei maatregelen namen zonder dat het gezin zelf verantwoordelijkheden of inspraak had. Eén gezin, één plan is een belangrijk uitgangspunt van het CJG. Het idee om gezinnen op zo’n manier bij hun eigen hulpplan te betrekken is niet nieuw. Maar dankzij de CJG-vorming wordt het nu wel expliciet als uitgangspunt genomen. Ook dat vind ik weer een goed voorbeeld van wat de CJG’s teweeg brengen.”
Zo te horen bent u positief over de effecten van CJG-vorming
“Wij zijn nadrukkelijk op pad gestuurd met de opdracht een zo realistisch mogelijk beeld te geven. Niemand heeft behoefte aan propaganda voor CJG’s. Dat betekent dat we ook de zaken hebben besproken die minder goed gaan. Het probleem van de institutionele belangen heb ik al genoemd. En ook in het rapport zijn nog genoeg knelpunten te vinden. Maar over het algemeen is het inderdaad zo dat we veel positieve effecten zijn tegengekomen.”
Onderzoek basisset indicatoren CJG
Hoe effectief zijn de Centra voor Jeugd en Gezin? Om deze vraag te beantwoorden is het nodig structureel de effecten van het ingezette beleid bij te houden aan de hand van indicatoren. In opdracht van het ministerie voor Jeugd en Gezin is door Deloitte een onderzoek uitgevoerd om tot een basisset van indicatoren te komen die daarbij van belang zijn.
Vragen die centraal stonden in het onderzoek waren:
- Welke indicatoren hebben gemeenten zelf nodig om de effectiviteit structureel te volgen en om te kunnen bijsturen op de eigen prestaties?
- Welke informatiebronnen bestaan of zijn nodig om alle geselecteerde indicatoren te kunnen monitoren?
In het onderzoek is gestart met het bepalen van de belangrijkste succesfactoren van het Centrum voor Jeugd en Gezin en bijbehorende indicatoren. Het basismodel CJG is daarbij als uitgangspunt gebruikt.
In juni 2010 zal een vastgestelde basisset van indicatoren breed verspreid worden en kunnen gemeenten - maar ook partnerinstellingen, jeugdzorg en onderwijs - meedenken over de vervolgstap: Hoe gaan we meten? En hoe komen we tot een zo goed mogelijke en eenduidige vragenlijst per indicator?
Houd de website en de nieuwsbrief in de gaten voor meer informatie over de uitkomsten van het onderzoek en de aankondiging van de regionale bijeenkomsten.



