Home > Actueel > Nieuwsberichten > Aanpak kindermishandeling Brabant - Noord
Regionale Aanpak kindermishandeling in de regio Brabant - Noord
31 maart 2010
Eind 2010 moet de sluitende aanpak van kindermishandeling klaar zijn. 35 centrumgemeenten hebben met minister Rouvoet een convenant ondertekend om de RAAK-aanpak landelijk in te voeren. De centrumgemeenten hebben dan een startfoto gemaakt, beschikken over een regionaal werkplan en voeren het handelingsprotocol en scholingsplan uit. Een van de centrumgemeenten die al flink op weg is, is ’s-Hertogenbosch. Centraal in hun regionale aanpak kindermishandeling staat de intensieve samenwerking met Integraal Toezicht Jeugdzaken (ITJ). Een gesprek met Liesbeth Endendijk, projectleider regionale aanpak kindermishandeling voor de regio Brabant - Noord.
Waarmee onderscheidt jullie aanpak zich ?
“Belangrijk in onze aanpak is de koppeling met een pilot methodiekoverdracht van ITJ. Zij hebben een bepaalde manier van werken om de kwaliteit van samenwerken te beoordelen tussen instellingen, die betrokken zijn bij het voorkomen of aanpakken van een jeugdprobleem. In de pilot bekijkt ITJ of de methodiek overgedragen kan worden aan gemeenten. Wij voeren de regionale aanpak kindermishandeling uit zoals die landelijk al was vastgesteld, maar wij vullen die bestaande aanpak aan met de systematiek en de methoden van ITJ. De combinatie van de twee benaderingen geeft nieuwe inzichten en resultaten.”
Wat kenmerkt jullie aanpak?
“Ten eerste hebben we een sterke focus op de vraag wat nu precies het probleem is. We spreken van kindermishandeling, maar ik merk – ook landelijk – dat we nog te weinig een idee hebben van waar we het precies over hebben. Wat is de omvang van het probleem? Om hoeveel kinderen gaat het? Maar ook wat is de aard van de problemen, is het psychisch, fysiek, seksueel geweld? Om goed beleid te maken heb je deze gegevens nodig. Ten tweede richten we ons op het in kaart brengen en verbeteren van de kwaliteit van de samenwerking tussen de instellingen in onze regio. Het is vooral hierbij dat wij gebruik maken van de werkwijze en de methoden van ITJ. Op basis van de eerder genoemde punten worden speerpunten opgesteld en uitgevoerd.”
Kun je iets meer zeggen over de methoden?
“Naast interviews met betrokken instellingen maken we bijvoorbeeld gebruik van de levensloopreconstructie. In de regio werken wij twee casussen uit. Een daarvan is een jongere van 19 jaar oud. Wij hebben alle hulpverlening rond dit kind geanalyseerd. Alle betrokken partijen zijn in kaart gebracht en aan de hand van dossieronderzoek is gereconstrueerd wat zij hebben gesignaleerd en welke acties ze hier vervolgens op uitgezet hebben. Dit maakt inzichtelijk waar verbeterpunten in de samenwerking liggen. Aan de hand van de uitkomsten hebben wij workshops georganiseerd met de direct en indirect betrokken partijen, gericht op de vraag hoe de samenwerking kan worden verbeterd. Aankomend jaar gaan we kijken naar de levensloop van een kind jonger dan 12 jaar. Daarin bekijken we ook hoe het Centrum voor Jeugd en Gezin (CJG) functioneert en hoe de samenwerking op dat vlak te verbeteren is.”
Is het cruciaal geweest dat je al die organisaties bent langsgegaan?
“Ik weet niet of we daarin verschillen van andere regio’s. Maar ik ben er trots op dat veel instellingen meewerken aan de aanpak; ziekenhuizen, vertegenwoordigers vanuit huisartsenkringen, welzijnswerk, maatschappelijk werk, jeugdgezondheidszorg, instellingen voor mensen met een beperking, (geïndiceerde) jeugdhulpverlening, verslavingszorg en politie. En ook kinderopvang en het onderwijs worden bij de uitvoering van het regionale werkplan betrokken. Wij zitten met een heel breed terrein aan organisaties aan tafel, waardoor we ook echt de hele keten vertegenwoordigen en in kunnen zetten op een betere (keten)samenwerking!”
Waartoe heeft jullie aanpak tot nu toe geleid?
“Het heeft geleid tot een regionaal werkplan aanpak kindermishandeling Brabant - Noord. De verbeterpunten staan hierin beschreven net als de 11 speerpunten die daaruit voortgekomen zijn. Deze omvatten onder andere het inzichtelijk maken van de aard en omvang van kindermishandeling in de regio, de integratie van de aanpak kindermishandeling in de CJG’s, samenwerking tussen instellingen, deskundigheidsbevordering en het hulpaanbod voor kinderen die te maken hebben (gehad) met kindermishandeling. Momenteel zijn we hard aan de slag met de uitvoering van het regionale werkplan.”
En hoe kom je dan tot zo’n lijst van 11 speerpunten?
“De interviews en de methodieken van het ITJ geven inzicht in de verbeterpunten in de regio. Op basis daarvan is in april vorig jaar een startconferentie georganiseerd, waar alle instellingen die ik had gesproken aanwezig waren. Ook minister Rouvoet was aanwezig. Op dat moment kwamen er meer dan 20 verbeterpunten naar voren. In overleg met de instellingen is prioriteit aangebracht in de verbeterpunten. Voor de verbeterpunten met de meeste prioriteit zijn werkgroepen samengesteld met daarin alle betrokken instellingen. Die hebben de verbeterpunten verder uitgewerkt tot de 11 speerpunten zoals we ze nu in het regionale werkplan hebben opgenomen.”
Toelichting: Het regionaal werkplan van de regio Brabant – Noord wordt naar verwachting begin april 2010 definitief vastgesteld. Dan verschijnt het ook bij dit bericht op deze website.
De inbreng vanuit Integraal Toezicht Jeugdzaken
ITJ doet onderzoek in gemeenten naar de manier waarop samenwerkende instanties problemen met of van de jeugd voorkomen of aanpakken. Tot nu toe gebeurde dat grotendeels op basis van onderzoek bij individuele gemeenten.
Momenteel is ITJ op zoek naar manieren om het effect van haar inspanningen te vergroten en haar bereik te vergroten. Enerzijds gebeurt dat door gelijktijdig meerdere gemeenten bij hetzelfde onderzoek te betrekken. Anderzijds wordt onderzocht of gemeenten zelf kunnen doen wat ITJ tot voor kort bij individuele gemeenten deed. Met andere woorden, kunnen gemeenten het door ITJ ontwikkelde instrumentarium zelf inzetten om problemen met of van jeugd nog beter aan te pakken en te voorkomen. De pilot die met de gemeente ’s-Hertogenbosch wordt uitgevoerd is bedoeld om daarachter te komen.
Peter de Jonge is vanuit ITJ nauw betrokken bij de pilot met de gemeente ’s-Hertogenbosch. Veel van de inbreng van ITJ wordt volgens de Jonge duidelijk in het volgende overzicht.
De Jonge: “De aanpak bij de regionale aanpak kindermishandeling bood kansen maar ook uitdagingen, want wij werden geconfronteerd met een projectaanpak die landelijk al was vastgesteld en waarmee ’s-Hertogenbosch ook al wilde beginnen. Wij wilden die aanpak absoluut niet verstoren. En onze inbreng was er dan ook enkel op gericht om aanvullend te kijken naar wat er nog meer nodig is aan informatie om aan de beoordelingen te komen zoals ITJ die normaliter maakt.
Je zou onze inbreng in drie punten kunnen samenvatten:
- Wij hameren als ITJ altijd en voortdurend op de probleemanalyse. Uiteindelijk bereik je het meeste als je zoveel mogelijk over de aard en omvang van het probleem weet. In het geval van kindermishandeling: Wat is het? Hoe groot is het probleem? Waar is het probleem het grootst? Hoe komt dat? Enz. enz.
- Het tweede is dat wij zicht willen hebben op de kwaliteit van de ketensamenwerking. In hoeverre werken instanties effectief samen? Daar hebben wij een beoordelingskader voor gemaakt aan de hand van 8 kwaliteitsaspecten. Een voorbeeld: als instellingen gezamenlijk hebben vastgesteld welke doelen ze nastreven, dan is dit heel motiverend voor de samenwerking.
- Tot slot hanteren wij ook een beoordelingskader voor het plan van aanpak dat gemeenten en instanties maken op grond van het ITJ-onderzoek, in ’s-Hertogenbosch is dit het regionaal werkplan. Dat beoordelingskader is gebaseerd op de Result Based Accountability van Mark Friedman*. Dit model is, juist ook voor overheidsorganen, opgezet om te komen van overleg tot actie. Door 7 vragen te stellen en te beantwoorden kun je in kaart brengen wat je wilt bereiken, wie je daarvoor nodig hebt en hoe je dat gaat doen. In de kern komt het ook hierbij neer op ‘meten is weten’. Ons advies is vooral ook te kijken naar creatieve maatregelen die weinig of niets kosten. Door dit principe te hanteren kun je ervoor zorgen dat de actieplannen zo smart mogelijk zijn, oftewel zo concreet en doelgericht mogelijk. Het grote voordeel van deze methode is dat je een plan maakt wat evalueerbaar is en waarvan je na een bepaalde periode kunt aantonen wat er is bereikt.”
*Fiscal Policy Studies Institute, Results-Based Decision Making. Getting from Talk to Action. Appendix C In:
Results and Performance Accountability, Decision-making and Budgeting. Selected Pages. Santa Fe, New Mexico.
Zie: www.resultsaccountability.com



