Home > Actueel > Nieuwsberichten > Campuspilots jeugdwerkloosheid

Lessen naar aanleiding van campuspilots

18 juli 2011

Jongere leunt tegen muur.

De Taskforce Jeugdwerkloosheid constateerde in 2006 dat er ongeveer 40.000 jongeren zouden zijn die niet op school zaten en ook niet aan het werk waren. Deze jongeren zouden niet willen leren of werken (TK 2005–2006, 23 972, nr. 82). De Taskforce constateerde dat deze groep met drang en/of dwang gedisciplineerd en heropgevoed moest worden. Hiervoor zou een nieuwe voorziening nodig zijn, de zogenaamde ‘prepcamps’, alsmede een aanvullende juridische maatregel om jongeren desnoods tegen hun zin in deze voorziening te plaatsen.

Waar de Taskforce Jeugdwerkloosheid in 2006 nog sprak over 40.000 jongeren zonder startkwalificatie die onwillig waren om te werken of leren, wordt de omvang van deze groep in recent CBS onderzoek op 14.000 jongeren (18–26 jaar) geraamd.

Lessen

Van 2007 tot en met 2009 is door bureau Intraval onderzocht wat geleerd kan worden uit de campuspilots over de meest effectieve aanpak van de problematiek van jongeren met een grote afstand tot onderwijs en werk voor het uitvoeren van soortgelijke projecten door anderen in de toekomst en voor het reguliere beleid op dit terrein. Alle pilots hadden als hoofddoelstelling: het afronden van een opleiding en/of het toeleiden naar werk. Naast deze hoofddoelstellingen hadden de projecten diverse subdoelstellingen zoals het bijbrengen van (zelf)discipline, het vergroten van de motivatie, het vergroten van zelfwaardering en het verminderen van criminaliteit en probleemgedrag. Deze (sub)doelstellingen zijn in de pilots nagestreefd met een gecombineerde aanpak van zorg, onderwijs, arbeidsmarkt en waar nodig justitie.

Succesfactoren

De succesfactoren die volgens de onderzoekers hebben bijgedragen aan het behalen van de hoofd- en subdoelstellingen van de projecten zijn:
• veel aandacht voor structuur en discipline;
• de mogelijkheid tot het behalen van een diploma;
• een geïntegreerd traject van 12 uurs opvang waarbinnen school, vrije tijd en hulpverlening worden gecombineerd;
• een gefaseerde individuele benadering, afgestemd op de deelnemer waarbij ouders of verzorgers betrokken zijn;
• een trajectduur van maximaal 12 maanden.

Weinig verschil

Ondanks de belangrijke lessen die getrokken zijn uit de campuspilots en de positieve betekenis en effecten van de projecten en medewerkers op deelnemers is besloten deze projecten geen structurele plek te geven in het aanbod voor deze doelgroep. Belangrijkste aanleiding voor deze keuze is geweest dat de campusprojecten gedurende de pilotperiode onvoldoende hebben aangetoond verschil te kunnen maken in vergelijking met het bestaande aanbod wat betreft de deelnemers die zij bereiken en de bij hen behaalde resultaten. De campussen verschillen daarmee nauwelijks van bestaande projecten voor jongeren die uitvallen of dreigen uit te vallen uit onderwijs of werk.

Uitkomsten en leerpunten

Uitkomsten en leerpunten van het onderzoek zijn :

  1. De doelgroep van de pilots blijkt lichter dan beoogd: de meeste
    jeugdigen zijn op een of andere wijze wel bij onderwijs of arbeid
    betrokken. De hoofddoelstelling van de projecten (teruggeleiding naar
    onderwijs of arbeid) kon daarom niet goed getoetst worden. Dat heeft
    niets met de kwaliteit van het onderzoek te maken, als wel met de
    instroom in de projecten.
  2. De doelgroep en de aanpak van de pilots blijken niet zo gek veel af te
    wijken van bestaande initiatieven. Dat roept de vraag op wat de
    projecten te bieden hebben bovenop de bestaande voorzieningen.
  3. Het beeld dat het effectonderzoek oplevert vraagt om nuance, omdat de
    omvang van de vergelijkingsgroep klein is. Met dat in het achterhoofd
    blijkt er sprake van een zeer bescheiden winst ten opzichte van de
    controlegroep als het gaat om de vooruitgang op het gebied van scholing
    of arbeid. Ten aanzien van allerlei subdoelen zijn er over het algemeen
    weinig verschillen. Ook dit vraagt om een kritische noot ten aanzien van
    de toegevoegde waarde van de projecten.
  4. Voordeel van het onderhavige onderzoek is dat hoe dan ook de aanpak
    van de bereikte doelgroep getoetst kon worden. De variëteit in de
    invulling van de pilots leverde hier een voordeel op. Het maakte het
    mogelijk de samenhang tussen bepaalde kenmerken van de projecten en
    de uitkomsten te exploreren. Dat leverde belangrijk materiaal op. Zo zijn
    er aanwijzingen gevonden dat intensieve projecten van een niet al te
    lange duur (niet meer dan 12 maanden), met een focus op discipline en
    gericht op het halen van een diploma meer opleveren dan projecten
    zonder die kenmerken. Op veel van deze kenmerken blijken de
    pilotprojecten niet veel af te wijken van een vergelijkingsgroep die
    ‘gewone’ ondersteuning kreeg. Dit kan erop wijzen dat de
    succesfactoren algemeen gelden en niet specifiek zijn voor de pilots. Het
    roept ook de vraag op of het niet beter is te investeren in het versterken
    van de pedagogische infrastructuur van de bestaande, reguliere
    voorzieningen, in plaats van het ontwikkelen van weer nieuwe en relatief
    dure pilotprojecten.
  5. De verhouding van de kosten en de effecten is moeilijk te bepalen gezien
    veel ontbrekende gegevens over de kosten en de financiering. Met name
    het geringe zicht op de additionele geldschieters bovenop de subsidie
    van het (toenmalige) ministerie voor Jeugd en Gezin is in dat verband storend.
    Eigenlijk zou elk project de inkomsten en uitgaven met een druk op de
    knop moeten kunnen uitdraaien. Immers, alleen dan is het mogelijk een
    goede discussie te voeren over de vraag of de investeringen opwegen
    tegen de opbrengsten, en welke alternatieve ondersteuningsvormen met
    de middelen uitgevoerd zouden kunnen worden.
  6. Tegelijkertijd mag niet worden vergeten dat de uitvoerders van de
    projecten hun nek uitsteken: ze pionieren met een moeilijke doelgroep.
    Dat maakt dat het verloop van dit soort projecten maar ten dele
    voorspelbaar is. Gaandeweg leert men van de aanpak. Maar niettemin is
    het de vraag of er niet meer uit dit soort pilots te halen valt.
  7. Een belangrijke les is dat er in de startfase van de projecten meer tijd en
    energie mag zitten in de theoretische onderbouwing van de aanpak, de
    regulering van de instroom en het op orde brengen van de
    informatiehuishouding. Dat biedt vervolgens een steviger basis voor
    studie naar de meerwaarde van de projecten. Deze les heeft ook
    consequenties voor de beantwoording van beleidsvragen die rondom de
    projecten leven. Die zouden meer gefaseerd aan de orde gesteld en
    beantwoord moeten worden. Eerst zou er veel meer aandacht moeten
    uitgaan naar de onderbouwing van de projecten: is de veronderstelling
    dat het werken met ‘campussen’ meer effect zou hebben dan de
    bestaande projecten op basis van de reeds voorhanden zijnde kennis wel
    aannemelijk te maken? Welke wetenschappelijke, morele, juridische en
    politieke argumenten zijn er in dat licht om de pilotprojecten (verder) uit
    te voeren? Daarna gaat het om vragen als: bereiken de projecten de
    oorspronkelijk bedoelde doelgroep, werken ze ook echt zoals bedoeld en
    wat zijn de kosten van de uitvoering? Pas later kunnen vragen aan de
    orde komen als: leveren ze uiteindelijk de beoogde resultaten op, wat
    heeft dat gekost en weegt dat op tegen de alternatieven?

Eindrapportage

De eindrapportage van het onderzoek en de tussentijdse rapportages vind u op de website van bureau Intraval.

  • RSS
  • Twitter
  • Tekstgrootte 
  • -
  • +
Begrippen Sitemap