Home > Actueel > Nieuwsberichten > Aansluiting Zorg voor Jeugd op de landelijke verwijsindex
Aansluiting Zorg voor Jeugd op de landelijke verwijsindex
31 augustus 2010
Op 1 juli 2010 sloot Zorg voor Jeugd aan op de landelijke verwijsindex risicojongeren (VIR). Zorg voor Jeugd is de lokale verwijsindex waarmee gemeenten in de provincie Groningen, Noord-Brabant en de regio Drechtsteden / Alblasserwaard / Vijfherenlanden werken. Door de aansluiting zijn in een keer bijna 100 gemeenten aangesloten op de landelijke VIR. Een belangrijke mijlpaal.
Landelijke dekking
Met de aansluiting op de landelijke VIR ontstaat een vrijwel landelijke dekking van de verwijsindex, waardoor matches niet beperkt blijven tot instellingen binnen de eigen regio, maar tussen hulpverleners in heel Nederland tot stand kunnen komen.
Jannie Visscher is portefeuillehouder Jeugd van de Vereniging van Groningse gemeenten. Zij vindt de aansluiting op het landelijke netwerk een belangrijke stap. “Want”, zo stelt zij, “de grenzen van onze bestuurlijke eenheden hebben niets te maken met de grenzen waarbinnen de jeugd zich beweegt. Het mag niet zo zijn dat de hulpverlening stagneert als een gezin verhuist of een jongere ergens anders gaat wonen. Zeker met de huidige dynamiek in gezinnen, zowel geografisch als qua samenstelling, moet je als overheid ervoor zorgen dat de hulpverlening dit soort bewegingen kan volgen. Het gaat om de veiligheid en gezondheid van onze jeugd.”
Signaleringssysteem
Net als de landelijke VIR is Zorg Voor Jeugd een systeem dat risicosignalen van hulpverleners over jongeren tot 23 jaar bij elkaar brengt. Of, zoals gedeputeerde van Brabant, Brigite van Haaften het omschrijft: “De verwijsindex is een signaleringssysteem dat hulpverleners helpt om van elkaar te weten dat zij bezig zijn met het helpen van hetzelfde gezin of dezelfde jongere.” Daarbij legt zij nadruk op het woordje ‘dat’. Want het gaat bij de uitwisseling van signalen altijd over de zogenaamde ‘dat-informatie’ en niet over de ‘wat-informatie’. “Er staat niet in het systeem wát er met een jongere aan de hand is, maar wel dát meerdere mensen zich met die jongere bezighouden. Zo kunnen hulpverleners contact met elkaar opnemen, met als resultaat dat de hulp beter wordt gecoördineerd”, aldus Van Haaften.
Matches
Over de resultaten van het werken met een verwijsindex zijn de drie de regio’s tot dusver tevreden. Er wordt in toenemende mate gemeld en de zorgcoördinatie vindt daardoor ook steeds beter plaats. Harry Wagemakers is wethouder Jeugd van Dordrecht. “Sinds de aansluiting op de landelijk VIR zijn er in de Drechtse regio zo’n 230 matches geweest”, vertelt hij. “Dat is best veel voor 2 maanden. In veel gevallen ging het daarbij om meldingen die te maken hadden met de Raad van de Kinderbescherming, zwaardere problematiek dus. Als je dankzij dit instrument van de verwijsindex bereikt dat de betrokken hulpverleners sneller en makkelijker in contact komen met elkaar, dan is dat natuurlijk een enorm winstpunt.”
Samenwerking
Van Haaften beaamt het belang van de verwijsindex als instrument dat samenwerking bevordert. Van Haaften: “Als een kind meerdere keren voorkomt in de verwijsindex, dan biedt dat onze hulpverleners de mogelijkheid om over de schutting van hun eigen organisatie te kijken. En ik ben trots op iedere hulpverlener die zegt ‘juist omdat ik hulpverlener ben, kijk ik niet alleen naar het belang van mijn organisatie, maar werk ik samen met andere organisaties om de jongere zo goed mogelijk te helpen.’ Wat dat betreft is de verwijsindex voor mij ook veel meer dan een ICT-systeem. Het gaat over samenwerking tot in de haarvaten.”
Meer melden
Sinds 1 augustus 2010 geldt de verplichting voor Nederlandse gemeenten om met de landelijke verwijsindex te gaan werken. En de drie grote regio’s kunnen tevreden zijn dat zij op tijd waren met hun aansluiting. Toch zijn de drie bestuurders het erover eens dat er nog genoeg te doen is. Net als zijn collegabestuurders wijst Wagemakers op het feit dat er nog veel organisaties zijn, of medewerkers van organisaties, die het melden aan de verwijsindex als een onnodige, extra administratieve handeling beschouwen. “Daardoor wordt de verwijsindex nog lang niet overal zo veelvuldig en zo consequent gebruikt als mogelijk is. Daarin valt zeker nog winst te behalen”, aldus Wagemakers.
Gecoördineerde hulpverlening
Ook Visscher ziet daarin nog de nodige uitdaging. “Ik kan niet genoeg benadrukken dat we het zo moeten organiseren en uitvoeren, dat iedereen die ermee werkt, zelf ervaart dat het niet zomaar een extra verplichting is. Het is geen extra bureaucratische handeling op zichzelf. Nee, als ik meld en als mijn collega’s dat ook doen, dan helpt dat ons om het werk voor onze jeugd beter te doen. En daar gaat het om. Alle jongeren en gezinnen die problemen hebben, moeten tijdig de hulp krijgen die zij nodig hebben. Niet minder. Niet later. En niet dubbel of slecht afgestemd, maar goed gecoördineerd.”



