Vraag en antwoord

Heeft u een opmerking of een vraag over de stelselwijziging zorg voor jeugd? Aarzel dan niet contact op te nemen met onze Helpdesk, via info@samenwerkenvoordejeugd.nl.

 

Onderstaand, per thema, een overzicht van veelgestelde vragen en antwoorden over de stelselwijziging.

Toegang tot (jeugd)zorg

Als ouder X in gemeente A woont en ouder Y in gemeente B, onder welke gemeente komt het kind dan te vallen als het jeugdzorg nodig heeft?

Antwoord:
De gemeente waar de jeugdige duurzaam verblijft voordat hij voor de eerste maal ondersteuning
ontvangt. Bij een kind uit een gebroken gezin wordt voor het verblijf uitgegaan van de gemeente
waar de jeugdige staat ingeschreven in het gemeentelijke basisadministratie.

Is er straks onder de verantwoordelijkheid van gemeenten de juiste expertise in huis om ouders en jeugdigen toe te leiden naar gespecialiseerde zorg? Hoe wordt de kwaliteit gewaarborgd?

Antwoord:
De afweging welke ondersteuning of zorg nodig is, wordt gemaakt door een professional met een HBO- of WO-opleiding die is geregistreerd in een relevant beroepsregister. De registratie-eis garandeert dat professionals hun kennis en vaardigheden op peil houden via bij- en nascholing. De kwaliteit van de uitoefening van het beroep wordt op deze manier gereguleerd via een beroepsregister, een ethische code en het tuchtrecht.

Wat wordt verstaan onder het bieden van mogelijkheden voor keuzevrijheid in de zorg voor cliënten? Gaat het hierbij om verschillende aanbieders van dezelfde zorg of de mogelijkheid voor mensen om zelf zorg in te kopen via een persoonsgebonden budget (pgb)?

Antwoord:
In de opdracht aan gemeenten wordt opgenomen dat er voor de cliënt een mogelijkheid is voor keuzevrijheid in de zorg. Deze opdracht wordt gezamenlijk uitgewerkt met de VNG en vraagt om een zorgvuldige aanpak. Er zijn verschillende manieren waarop gemeenten in het nieuwe stelsel kunnen bijdragen aan de keuzevrijheid voor ouders en kinderen. Om te beginnen kunnen gemeenten voorzien in een gevarieerd zorgaanbod voor hun inwoners. Gemeenten kunnen zelf of samen met andere gemeenten bijvoorbeeld regelen dat de zorg van landelijke zorgaanbieders geleverd kan worden. Daarnaast kunnen gemeenten ervoor kiezen om een pgb te verstrekken.

Hoe wordt de samenwerking tussen jeugdzorg en het CJG geregeld voor de doelgroep 18+?

Antwoord:
De Centra voor Jeugd en Gezin zoals die door gemeenten zijn ontwikkeld hebben als doelgroep alle jeugd tot de leeftijd van 23 jaar. Gemeenten dienen ook in de nieuwe situatie te blijven voorzien in samenhangende ondersteuning voor de doelgroep 18+. Het is aan gemeenten om de ondersteuning voor deze doelgroep op zo’n manier te organiseren dat de verbinding met de juiste samenwerkingspartners gelegd wordt. Deels gaat het om zorg en ondersteuning vanuit de CJG’s, maar voor deze doelgroep kan bijvoorbeeld ook gedacht worden aan voorzieningen voor werk en inkomen. Ook in de zorg voor deze doelgroep gelden de uitgangspunten dat er toegang tot ondersteuning moet zijn op een herkenbare en laagdrempelige plek, dat jongeren met zo min mogelijk professionals te maken krijgen en dat zoveel mogelijk ondersteuning wordt aangeboden in de omgeving van de jongere.

 

Gemeentelijke regie

Gemeenten krijgen bestuurlijke en financiële instrumenten om samenwerking af te dwingen om te voorkomen dat cliënten tussen wal en schip vallen? Welke instrumenten zijn dit?

Antwoord:
Omdat gemeenten in het nieuwe stelsel jeugd verantwoordelijk worden voor het gehele jeugdbeleid kunnen zij ook bestuurlijke en financiële instrumenten inzetten om samenwerking tussen instellingen af te dwingen. Zo kunnen gemeenten bijvoorbeeld samenwerkingsafspraken opnemen in de contracten die zij afsluiten met instellingen. Daarnaast kunnen zij bestuurlijk overleg voeren met de betrokken instellingen om tot samenwerking te komen.

Welke maatregelen kan het Rijk straks treffen als gemeenten de zorgplicht niet goed uitvoeren? Welke rol vervult de inspectie hierin en op basis van welke kwaliteitskaders vindt er toezicht plaats?

Antwoord:
Gemeenten leggen in het nieuwe jeugdstelsel primair verantwoording af over de gekozen beleidsprioriteiten en de resultaten aan de lokale samenleving en eigen burgers. Het Rijk houdt als systeemverantwoordelijke interbestuurlijk toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van gemeenten. Wanneer een gemeente de wettelijke opdracht niet of niet goed uitvoert, kan gebruik worden gemaakt van de indeplaatsstellingsregeling in de Gemeentewet. Momenteel wordt nog bekeken hoe het kwaliteitskader en de rol van de inspectie uitgewerkt zullen worden in de nieuwe wet. 
 

Financiering

Hoe gaan gemeenten ervoor zorgen dat er prikkels in het systeem komen voor meer basiszorg?

Antwoord:
De ontschotting in de financiering leidt ertoe dat de besparing op specialistische zorg die optreedt door te investeren in preventie bij gemeenten zelf terecht komt. Dit moet voldoende prikkels bieden aan gemeenten om jongeren vroegtijdig te helpen en de inzet van specialistische zorgvormen zo kort en intensief als nodig te laten zijn.

Hoeveel financiële middelen komen er totaal mee uit de provincies en is dat eenmalig of structureel? Hoeveel extra middelen hebben de provincies in 2010 en 2011 uitgegeven aan de jeugdzorg?

Antwoord:
Bij de overdracht van de jeugdzorg van de provincies naar de gemeenten wordt in 2016 bruto 90 miljoen euro overgeboekt van het provinciefonds naar het gemeentefonds. Dit is een structureel bedrag. Uit gegevens van de provincies en grootstedelijke regio’s blijkt dat zij voornemens waren in 2010 103,8 miljoen euro aan eigen middelen voor de functie jeugdhulpverlening in te zetten en in 2011 87 miljoen euro. Deze bedragen zijn berekend als het saldo van de baten en lasten voor deze functie in dat jaar.

Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat gemeenten niet per definitie kiezen voor de goedkoopste zorg, maar voor de beste zorg voor de jeugd?

Antwoord:
Het is een misverstand dat aanbesteding altijd moet leiden tot inkoop van de goedkoopste zorg. Gemeenten kunnen bij de beoordeling van offertes andere aspecten een rol laten spelen, zoals kwaliteit en klantgerichtheid. De evaluatie van de Wmo laat zien dat gemeenten het instrument van aanbesteding juist, en in toenemende mate, gebruiken om de kwaliteit te verhogen en te borgen. Onderzoeksbureau BMC heeft een marktanalyse uitgevoerd om de meest geschikte bekostigingsmodellen van zorg voor jeugd te inventariseren en de eventueel bijbehorende maatregelen van het Rijk of van gemeenten. Uit dit rapport volgt dat er voor de jeugdzorg grote risico’s optreden wanneer aanbesteding en concurrentie volledig worden ingevoerd. Samen met de VNG wordt nu bepaald hoe de instrumenten aanbesteden en subsidiëren het beste ingezet kunnen worden door gemeenten om deze risico’s te beheersen.

 

Certificering

Hoe komt de certificering van aanbieders van jeugdbescherming en jeugdreclassering tot stand?

Antwoord:
In de Bestuursafspraken 2011-2015 is afgesproken dat het Rijk en de VNG een jaar de tijd nemen om te bezien aan welke kwaliteitscriteria voldaan moet worden en om de vorm van certificering en de toets hierop te bepalen. De kwaliteitscriteria zullen aansluiten bij de huidige kwaliteitseisen, algemeen geaccepteerde normen en best practices. Nadat de certificeringseisen zijn vastgesteld, een certificeringsorganisatie is aangewezen en de methodiek van certificering is ontwikkeld, zullen aanbieders in de gelegenheid worden gesteld zich te certificeren. Momenteel wordt in samenwerking met de VNG en het veld gewerkt aan de uitwerking van het certificeringsmodel.


Worden gemeenten verplicht om jeugdbescherming en –reclassering in te kopen bij organisaties
die gecertificeerd zijn? Aan welke certificeringseisen wordt gedacht?

Antwoord:
Gemeenten mogen in het nieuwe stelsel voor de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering alleen gebruikmaken van gecertificeerde aanbieders. Bij de certificering wordt gedacht aan de volgende onderdelen: de organisatie/instelling, de professional (opleidingseisen) en de methodieken. Momenteel wordt conform de Bestuursafspraken 2011-2015 gewerkt aan de uitwerking hiervan.

 

Jeugd-GGZ

Op welke manier zal de zorg voor kinderen of jongeren met psychosomatische problemen, bijvoorbeeld iemand met autisme en eetstoornissen, of een jongere met een verstandelijke beperking en een depressie, gegarandeerd worden?

Antwoord:
Gemeenten krijgen in de nieuwe wet een algemene zorgplicht om jongeren met GGZ- en LVB-problematiek en hun opvoeder de zorg te geven die zij nodig hebben. Naast deze algemene opdracht krijgen gemeenten de verplichting om daar waar nodig voor de jongere of zijn ouders een individuele voorziening te treffen. Daarbij zal een deskundige eerst moeten beoordelen of deze nodig is. In de nieuwe jeugdwet zal precies worden afgebakend welke zorg onder de verantwoordelijkheid van de gemeente geleverd moet worden en welke zorg onder de verantwoordelijkheid van de zorgverzekeraars blijft.

Op welke manier zal het aantal kinderen met psychische gezondheidsproblemen (jeugd-GGZ) dat specialistische zorg nodig heeft, teruggebracht worden door preventieve maatregelen?

Antwoord:
Gemeenten zijn straks verantwoordelijk voor het gehele palet aan zorg voor jeugd. Dit geeft hen een stimulans om in te zetten op preventieve en lichtere vormen van zorg en voor zoveel als mogelijk het benutten van de eigen kracht. Een belangrijk verschil met de huidige situatie in de meeste gemeenten is dat vanuit een CJG ook direct ondersteuning zal worden geboden waarvoor nu een indicatie of doorverwijzing nodig is. Het kabinet staat een stelsel voor ogen waarbij ondersteuning zoveel mogelijk in de eigen omgeving van het kind en het gezin geboden wordt en/of gericht is op terugkeer naar die omgeving. Zo ligt het voor de hand kinderen en jongeren in de schoolgaande leeftijd met (beginnende) problemen zorg en ondersteuning te bieden in hun sociale omgeving. Door in te zetten op snelle diagnostiek, advies en ondersteuning wordt voorkomen dat problemen onnodig verergeren en wordt beoogd het beroep op de jeugd-GGZ terug te dringen.

 

Ruimte voor professionals

Het uitgangspunt van het nieuwe stelsel is het geven van ruimte aan professionals om de eigen kracht van mensen voorop te stellen. Wat betekent dit voor ouders die de kracht niet kunnen opbrengen om hun kinderen op te voeden?

Antwoord:
Ouders en jongeren moeten meer dan nu gebeurt de mogelijkheid krijgen om zelf regie te houden op hun eigen ondersteuningsproces. Een belangrijk aspect daarvan is dat professionals de regie niet overnemen, maar dat er bijvoorbeeld met ouders en jongeren gesproken wordt in plaats van over hen. Daarnaast dient het sociale netwerk van ouders en jongeren zoveel mogelijk betrokken te worden bij de ondersteuning. Ouders met gedragsmatig zeer lastige kinderen raken soms uitgeput, ondanks de grote investering van eigen kracht. Het is belangrijk dat zij dan ondersteund worden met adequate zorg.

 

Transitie/ondersteuning

Wat wordt er bedoeld met bovenlokale samenwerking? Moeten gemeenten deze samenwerking zelf organiseren?

Antwoord:
Gezien de benodigde uitvoeringskracht (deskundigheid, beperkte omvang van sommige doelgroepen en de schaal waarop sommige gespecialiseerde voorzieningen zijn georganiseerd) is het van belang dat gemeenten afspraken maken over de bovenlokale organisatie van taken. Dit betreft in ieder geval de taken op het terrein van jeugdbescherming en –reclassering. Recentelijk is met de VNG afgesproken dat gemeenten in eerste instantie zelf kunnen aangeven met welke andere gemeenten zij een bovenlokaal samenwerkingsverband aan willen gaan en op welke schaal. Hierdoor kan er aansluiting plaatsvinden bij bestaande samenwerkingsverbanden. Het uitgangspunt is dat zoveel mogelijk dezelfde buitengrenzen worden gehanteerd. De afspraken over bovenlokale samenwerking moeten uiterlijk een jaar voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet gereed zijn. Wanneer afspraken over de bovenlokale uitvoering van taken tussen gemeenten niet tijdig worden gerealiseerd in bepaalde regio’s treedt het Rijk met de VNG in gesprek om te bezien wat er moet gebeuren om deze uitvoering tot stand te laten komen.

Gaat de overgang van alle zorg voor jeugd naar gemeenten in één keer of in delen?

Antwoord:
In het bestuurlijk overleg van 8 december 2011 tussen VWS, VenJ, VNG en IPO is besloten om de gehele jeugdzorg in één keer over te hevelen. Alle partijen spannen zich in om het wetsvoorstel op 1 januari 2014 in het Staatsblad te plaatsen, zodat deze dan met een jaar invoeringstermijn op 1 januari 2015 in werking kan treden. Het voornemen is wel dat voorlopers al zoveel mogelijk ruimte krijgen om te gaan werken in de geest van de nieuwe wet. Provincies, gemeenten en zorgverzekeraars kunnen daartoe samenwerkingsafspraken maken over de uitvoering van de jeugdzorg. Daarbij geldt voor de stadsregio’s dat zij gelet op hun bijzondere positie nog meer mogelijkheden hebben om te oefenen met onderdelen van de jeugdzorg.

Op welke manier wordt de kwaliteit van de dienstverlening tijdens de transitie gewaarborgd?

Antwoord:
Zolang de jeugdzorg niet is gedecentraliseerd houden de huidige partijen hun verantwoordelijkheden voor de jeugdzorg. De provincies zijn verantwoordelijk voor de provinciale jeugdzorg en de zorgkantoren/-verzekeraars voor de uitvoering van de Awbz en Zvw. Dit geldt ook voor de huidige zorginstellingen. Alle partijen blijven ook tijdens de transitieperiode gehouden om verantwoorde zorg te leveren. De verantwoordelijke inspecties houden toezicht op de kwaliteit van de dienstverlening. Er zal een tijdelijke transitiecommissie ingesteld worden om toezicht te houden op het transitieproces. Deze commissie spreekt partijen waar nodig aan op hun verantwoordelijkheden. Het gaat daarbij niet alleen om gemeenten, maar om alle voor de transitie verantwoordelijke partijen.

Hoe verhouden de transitiecommissie en het ondersteuningsprogramma zich tot elkaar?

Antwoord:
De transitiecommissie is primair verantwoordelijk voor het monitoren van de voortgang van het transitieproces en voert zelf geen ondersteuningsactiviteiten uit. Wel is er een goede verbinding met het ondersteuningsprogramma om met name gemeenten, maar waar nodig ook andere betrokken actoren zoals professionals, cliënten en aanbieders te faciliteren bij het veranderproces.
Zo kan de transitiecommissie bij degenen die het ondersteuningsprogramma uitvoeren signaleren dat, gelet op de voortgang, bepaalde ondersteuningactiviteiten extra nodig zijn landelijk of in een bepaalde regio.

Samenhang Stelselwijziging Jeugd en Passend Onderwijs

Op welke manier wordt ervoor gezorgd dat jeugdzorg en passend onderwijs in het nieuwe stelsel goed op elkaar aansluiten?

Antwoord:
In het kader van de afstemming tussen jeugdzorg en passend onderwijs krijgen voorlopers de kans om in actie te komen en ervaring op te doen met nieuwe samenwerkingverbanden tussen het onderwijs en de jeugdzorg. In de periode 2012-2013 zullen enkele voorloperregio’s hun eigen plan van aanpak uitvoeren om in samenhang hun beleid voor passend onderwijs en jeugdzorg vorm te geven. Daarbij zal ook de samenwerking tussen het MBO en CJG/jeugdzorg betrokken worden.

  • RSS
  • Twitter
  • Tekstgrootte 
  • -
  • +
Begrippen Sitemap